Sam heeft een zoon.
Zijn zoon gaat naar school.
Hij krijgt huiswerk.
Soms vindt hij het moeilijk.
Hij begrijpt de opdracht niet.
Hij vraagt hulp aan Sam.
Sam leest de opdracht.
Hij stelt vragen.
Zijn zoon denkt na.
Samen zoeken ze een antwoord.
Ze werken rustig.
Zijn zoon leert veel.
Sam helpt, maar niet te veel.
Zijn zoon moet zelf denken.
Zo leert hij beter.
• Huiswerk → Oefeningen van school om thuis te maken.
• Opdracht → Wat je moet doen voor school.
• Begrijpt → Snapt het.
Web page was created with Mobirise